Nadruk op nationalistisch rechts populisme beneemt zicht op onderliggende systeemcrises

De disproportionele aandacht in politiek, media en academia voor ‘populisme’ beneemt het zicht op de grote veranderingen die zich in het Europese politieke landschap voltrekken. Populisme is een reactie op die veranderingen. Door slechts de populistische uitingsvorm te benadrukken wordt een debat uit de weg gegaan over de economische en democratische crises in Europa, de culturele verschuivingen die optreden en de oorzaken van de veiligheidsdreigingen. Belangrijker is te constateren dat de Europese economische en politieke instituties niet meer berekend zijn op de huidige problemen in de wereld. Rechts-nationalistische spelers springen in dat vacuüm. De afkalvende middenpartijen willen de neoliberale status quo behouden door vergelijkbare identiteitspolitiek te adopteren. Gebrek aan systeemvisie en leiderschap op de linkerflank versterkt deze nationalistische trend. Maar links-populistische ervaringen kunnen helpen een alternatief hiervoor te formuleren. De recente politieke ontwikkelingen in twee totaal verschillende Europese landen, Nederland en Spanje, dienen ter illustratie.

De hele wereld keek met argusogen naar de eerste krachtmeting met ‘het populisme’ in Europa in 2017: zou ook in Nederland, na Brexit en Trump, een ‘populistische’ overwinning volgen? Ook in Nederland zelf werd de verkiezingscampagne gedomineerd door eenzijdige aandacht voor de rechts-nationalistische PVV van Geert Wilders en voor wat zijn stemmers bezielde. Hun angsten werden door de centrumpartijen en de grote media opgevat als gerechtvaardigd, zonder de onderliggende tendensen in de afgelopen decennia nader te onderzoeken die leidden tot groeiende onzekerheid en een afnemend gevoel van greep op ieders leven in een snel veranderende geglobaliseerde wereld. Wilders’ retoriek over ‘de islamisering van Nederland’ (en daarvoor die van Pim Fortuyn) als de oorzaak van al hun problemen, weet al ruim vijftien jaar een deel van de Nederlandse stemmers te trekken. Hoewel hij in de peilingen nooit verder kwam dan 20%, en uiteindelijk slechts 20 (van de 150) zetels kreeg, was de angst bij de andere partijen in de benen geslagen. De media gaven disproportioneel veel aandacht aan deze stemmers.

Een zucht van opluchting volgde toen bleek dat Nederland massaal naar de stembus was gegaan om Wilders een halt toe te roepen. Maar het is een pyrrusoverwinning. Wie even een stap terug doet ziet een Nederlands politiek landschap dat een sterke ruk naar rechts nationalisme heeft gemaakt. De gevestigde partijen verzetten zich tegen het ‘populisme’ van Wilders, maar bogen tegelijkertijd mee met zijn nationalistische en anti-moslim retoriek. Sommigen met een ‘Wilders light’ benadering: door in iets minder radicale bewoordingen hetzelfde te zeggen, zoals de VVD en het CDA. Anderen gingen in dit culturele frame mee, dat zich eenzijdig richt op de externe bedreigingen voor een fictieve nationale identiteit, maar schoten in de verdediging: tegenover de polarisering tussen bevolkingsgroepen stelden zij een verzoenend perspectief.

Vooral VVD (33 zetels) en CDA (19) gebruikten een met Wilders vergelijkbaar identiteitsdiscours. De VVD liet een advertentie in Nederlandse kranten plaatsen waarin premier Rutte een oproep deed aan ‘mensen die naar ons land komen vanwege onze vrijheid’ om ‘normaal te doen’. ‘Mensen die homo’s en vrouwen in korte rokjes lastigvallen, of normale Nederlanders racisten noemen…’(lees moslims) moeten ‘normaal doen of vertrekken’, aldus Rutte. CDA-lijsttrekker Buma probeerde de VVD rechts in te halen door herhaaldelijk de ‘joods-christelijke’ waarden te noemen waar alle mensen in Nederland (lees moslims) zich aan moeten houden. En de PvdA van de voormalige vicepremier Lodewijk Asscher pleitte aanvankelijk voor een hernieuwde ‘Trots op Nederland’ en Progressief Pattriotisme met als een van de prioriteiten ‘strenge inburgeringseisen die gaan over de Nederlandse waarden’.

Zelfs als we er van uitgaan dat politiek in belangrijke mate een culturele strijd is om culturele grenzen te definiëren – de waarden en principes die we als gemeenschap onderschrijven – was het debat eenzijdig gericht op moslims (sic) die zich niet voldoende aanpassen aan liberale waarden. Zelfs linkse partijen – behalve GroenLinks – schrokken ervoor terug te wijzen op het feit dat Nederland al eeuwen lang een multiculturele maatschappij is – een term die zeer omstreden is sinds de kritiek daarop van Pim Fortuyn en anderen. Niets over eventuele positieve elementen uit andere culturen, zoals een groter belang van de gemeenschap als tegenwicht voor excessief individualisme.

Met deze afgrendeling van de Nederlandse ‘gemeenschap’ rond ‘de’ Nederlandse waarden probeerden de centrumpartijen een soort ‘redelijk midden’ neer te zetten dat de angsten van de boze witte man begrijpt.

De linkse partijen (GroenLinks en de SP, allebei  14 zetels) en het sociaal-liberale D66 kwamen niet met een duidelijk alternatief voor neoliberale status quo, maar met een moreel pleidooi voor tolerantie en empathie tegenover Wilders’ islamfobie, zonder diens uitgangspunt te bekritiseren dat de problemen van de mensen uitsluitend het gevolg zijn van het feit dat er zoveel mensen met andere culturele gewoontes in Nederland wonen.  Ook de PvdA switchte later naar een pleidooi voor gezamenlijkheid. De sociaaldemocraten zouden een historische nederlaag lijden: van 38 naar 9 zetels.

Er was nauwelijks discussie over het economische model en de inbedding daarvan in de Europese instituties, over de fundamentele weeffouten van de Eurozone, uit angst de Euroscepsis aan te wakkeren. Regeringspartij PvdA verdedigde openlijk de ‘successen’ van het neoliberale model dat ‘Nederland weer uit de crisis’ zou hebben geholpen, zonder dat de onderliggende oorzaken van de financiële crisis ook maar bij benadering zijn aangepakt. De SP (14 zetels) vertaalde haar kritiek op het neoliberalisme in sectorale actiepunten, vooral de zorg. Alleen GroenLinks wist met een nadruk op een andere, duurzame economie, iets van een kritiek op het neoliberale model te formuleren. Samen met een optimistische en idealistische campagne leverde hen dat een historische winst op (van 4 naar 14 zetels), vooral behaald onder jongeren die bezorgd zijn over de klimaatverandering. De enige openlijke kapitalistismekritiek kwam van de Partij voor de Dieren, die vijf zetels behaalde.

Maar overall werden inhoudelijke discussies over de grondoorzaken van het grote Europese onbehagen en een steeds minder leverend Europees neoliberaal project vermeden. Dat project, qua resultaten al jaren in verval maar ideologisch nog oppermachtig, lijkt voorlopig gered. In veel landen gebruiken regeringen een hybride vorm van identiteitspolitiek en nationalisme zonder daarbij het neoliberale Europese vrije markt model aan te tasten. Het centrumrechts kabinet waarover op dit moment in Nederland wordt onderhandeld, zal dit stramien ook volgen.

De focus op ‘populisme’ in media en academia, bewust opgepikt en aangewakkerd door de status quo partijen, is mede oorzaak van deze gang van zaken. De negatieve connotatie van de term maakte een inhoudelijke discussie over de status quo onmogelijk. Kritiek daarop kon makkelijk afgedaan worden als ‘populisme’, zonder dat dat gedefinieerd werd. In plaats van rechtspopulisme te benoemen voor wat het is, werd (volgens een bekend populistisch patroon) een tegenstelling gecreëerd tussen het ‘redelijke’ midden dat de waarden van het geheel vertegenwoordigd en de haatzaaiende Wilders. Beter was het geweest de PVV (en Le Pen, Trump, etc) te bespreken met een aantal andere trefwoorden: nationalisme, belangen van specifieke groeperingen, demagogie, nepnieuws en propaganda, racisme, seksisme, autoritarisme, altijd gekoppeld aan een vorm van identiteits- of gemeenschapsretoriek rond ‘de’ nationale cultuur, die een bepaalde groep outsiders  buiten sluit. In reactie op de niet meer leverende doorgeschoten globalisering, willen zij terug naar een imaginair verleden, waarin sommige liberale waarden (in het geval van Wilders) of conservatieve waarden centraal staan. In veel gevallen gaat het om autoritaire leiders die weliswaar het woord democratie vaak in de mond nemen, maar dat vooral zien als instrument (bijvoorbeeld via referenda) om te destabiliseren.

En, heel belangrijk: zij ‘construeren’ een vermeende eenheid tegenover de zondebokken. In Europa zijn dat nu meestal moslims, maar in Turkije Europeanen, en Mexicanen in de VS. Oftewel: het is niet dat zij de echte gevoelens en belangen van grote groepen inwoners hoorbaar maken of dienen, zoals zowel de gevestigde partijen als een groot deel van de media en ook sommige academici menen. Het is andersom: zij kanaliseren de onvrede en het onbehagen door één probleem uit de complexe wirwar te lichten, dat uit te vergroten en te generaliseren. Dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn met islamitisch terrorisme of met derde generatie Marokkaanse criminelen. Maar zij zijn niet de verklaring voor álle problemen waar de huidige maatschappijen mee kampen.

Door Le Pen, Wilders, Trump en anderen constant ‘populisten’ (niet eens rechtspopulisten) te noemen om daarmee de bovenstaande kwalificaties samen te vatten, heeft de term ‘populisme’ een zeer negatieve connotatie gekregen. Deze conceptualisering van populisme verhult dat deze rechts-nationalistische tendens in feite één antwoord is op onderliggende systeemcrises en het groeiende gevoel onder veel Europese burgers geen grip meer op hun leven te hebben. Het ‘populisme’ is een instrument, een politieke strategie om deze crises boven te komen of om bepaalde belangen te verdedigen: het kan rechts-nationalistisch zijn, waarbij de elite ervan wordt beschuldigd de veronderstelde nationale homogeniteit en de nationale  belangen te vermengen met buitenlandse invloeden en belangen, of linkspopulisme, dat zich afzet tegen machtige elites die de behoeften en belangen van grote delen van de maatschappij niet dienen. In sommige gevallen gebruikt het nationalistische populisme ook sommige linkse sociaaleconomische eisen, zoals Wilders en Le Pen doen, gebruik makend van het gat dat de sociaaldemocraten hebben laten ontstaan.

Het academische debat over populisme is ook vooral gericht op overeenkomsten in het discours van verschillende populistische uitingsvormen. Daarmee mist het het grotere plaatje, en ziet niet de verschillen tussen de verschillende politieke bewegingen die op één grote populistische hoop gegooid worden. Al wordt soms wel erkend dat ‘de populistische ideologie’ zich verbindt met verschillende andere ideologieen (neoliberalisme, nationalisme, socialisme), toch wordt vooral de gemeenschappelijke noemer benadrukt, wat in de media wordt overgenomen. Er wordt geen relatie gelegd met onderliggende structurele tendensen en het feit dat deze politieke dynamiek het gevolg is van het niet meer leveren van een neoliberaal politiek project.

De context

De moderne geschiedenis voltrekt zich in cycli. Na de Tweede Wereldoorlog werd in Europa een politiek-economisch project opgebouwd dat zich karakteriseert door een welvaartstaat met sterke solidariteit tussen allerlei strata van de bevolking en een Keynesiaans economisch beleid. Vanaf de jaren zeventig werd dit vervangen door een neoliberaal project. Dat kenmerkt zich door een absoluut vertrouwen dat marktwerking het beste oplevert voor iedereen. Het heeft de welvaartstaat afgebroken, het vertrouwen in de overheid als beheerder van publieke goederen geërodeerd. Maar het neoliberalisme is meer dan alleen economisch: het is een ideologie, een cultuur, een mensbeeld, dat geïnstitutionaliseerd is in de nationale bureaucratieën en de laatste twee decennia vooral in de Europese instituties.

Het neoliberalisme heeft de democratie uitgehold. Door globalisering te stimuleren heeft het steeds meer macht overgeheveld naar multinationale ondernemingen en de Europese of supranationale instituties, bestuurd door technocraten en alleen toegankelijk voor ingewijden en informele lobbygroepen. Deze instituties zijn minder zichtbaar en moeilijker te controleren omdat er onvoldoende democratische mechanismen zijn ingebouwd op Europees niveau.

Het neoliberalisme heeft ook de sociale rechtvaardigheid uitgehold. Via financiële deregulering heeft het geleid tot een grote crisis in 2008, waardoor vele honderden miljarden aan grote banken moesten worden betaald, die geleid heeft tot grote structurele werkloosheid en al een decennium stagnerende groei, en waar we nog steeds niet van hersteld zijn, ondanks de retoriek van de gevestigde politieke partijen die stellen dat we het ergste nu gehad hebben. De last van de bank bailouts wordt vrijwel exclusief op de schouders gelegd van de belastingbetalers. Het model heeft geleid tot immer stijgende ongelijkheid, een afnemende arbeidsinkomensquote (het deel van het BNP dat naar lonen gaat) en het afbrokkelen van de middenklassen. Er vindt sociaal een race to the bottom plaats via precarisering van de arbeid, er wordt roofbouw op het milieu gepleegd. In Europa

‘drukt’ de ECB maandelijks 80 (nu 60) miljard euro, wat niet leidt tot de beoogde investeringen in de reële economie, maar slechts tot speculatie ten bate van winstvermeerdering voor een kleine groep rijken. Multinationals sluizen belastinggeld weg, de beloofde ‘trickle down’ geschiedt nauwelijks.

Een individualistische cultuur wortelde in de geesten van jong en oud, die hun falen, hun slechte vooruitzichten of gebrek aan zinvolle banen uitsluitend aan henzelf wijt. Een technocratisch bestuur richt zich eendimensionaal op ‘efficiëntie’ via marktwerking. Het neoliberalisme is een politiek project dat zich baseert op een Hayekiaans egoïstisch mensbeeld. Dit mensbeeld, deze individualistische cultuur, verklaart ook wat opinieonderzoeken in Nederland vaak uitwijzen: dat het met de meeste individuen goed gaat, maar minder goed met de maatschappij. Alsof die twee los van elkaar gezien kunnen worden. Mensen zijn sociale wezens en hun welzijn wordt niet alleen bepaald door hun sociaaleconomische positie, maar door interactie met hun omgeving. Psychologische mechanismen in een individualistische wereld maken dat mensen niet snel zullen toegeven dat het slecht met ze gaat; dat is immers hun eigen fout.

Enige twijfel zou goed zijn bij deze vaak aangehaalde surveys. Niet alleen vanwege een groeiende onzekerheid over banen en inkomen in een strijd van allen tegen allen. Maar ook omdat ander onderzoek tegelijkertijd wijst op een aanzienlijke groei van eenzaamheid onder Nederlandse burgers, vooral in de grote steden. Het lijkt de schaduwzijde van de maatschappelijke ‘bevrijding’ sinds de jaren zestig van de vorige eeuw die heeft geresulteerd in een eendimensionaal individualisme en de erosie van de oude gemeenschappelijkheid, zonder daarvoor nieuwe solidaire structuren in de plaats te zetten.

Met de financieel-economische crisis van 2007-8 en de daarop volgende eurocrisis stuitte dit project op zijn grenzen. De ongelijkheid steeg nog verder. Dat levert heel veel directe misère op voor mensen met minder inkomen of werk. Maar materiele ongelijkheid is niet alleen een economisch probleem, het is ook een verdelingsprobleem. Ongelijkheid is meer dan alleen armoede, dat je kunt oplossen door werk te creëren, of genereuzer uitkeringen te verstrekken. Het zet groepen tegen elkaar op, en is daarmee een politiek en cultureel probleem.

Tegelijkertijd voelen veel mensen ook de bedreiging van hun veiligheid dichter bij huis. Waar vroeger de periferie ver weg was, ligt die nu binnen Europa, en in veel staten zelf binnen het eigen land. Vochten het westen en het Oostblok vroeger bloedige proxy-oorlogen ver weg, nu is de gewapende confrontatie tot in het hart van Europa doorgedrongen, via jihadistisch terrorisme. De noordpool smelt. Vluchtelingen komen massaal naar Europa, al zitten er nog veel meer in de getroffen landen zelf en de landen daar om heen.

De wereld was altijd al complex. Er waren altijd al verschrikkelijke oorlogen. Tijdens de Koude Oorlog was een verwoestende kernoorlog een reële dreiging. De economische crisis in de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte dat ook toen grote groepen jongeren ‘geen toekomst’ zagen. Maar de wereld was voor iedereen toen veel kleiner. Nu komt die dagelijks in ontzaglijke hoeveelheden informatie binnen, via televisie en internet. Dat is een fundamenteel  verschil met vroeger. De bedreigingen die op ons afkomen lijken veel groter.

Deze verwarrende wereld verklaart het grote onbehagen onder steeds meer mensen. Tegelijkertijd zien zij dat de gevestigde partijen van de afgelopen decennia zich daar nauwelijks iets van aantrekken. Die houden vast aan het eenzijdig op individueel gewin en korte termijn belangen gerichte neoliberale project.  De fundamentele weeffouten van de Eurozone plaatsen grote delen van Zuid- en Oost-Europa in een steeds afhankelijker positie, ten dienste van de exportsectoren en financiële instituties van de Noordwestelijke kern van Europa.

De systeemcrisis creëert grote instabiliteit omdat de heersende instituties geen antwoorden meer hebben. Net als in de jaren dertig en zeventig leven we in een soort vacuüm, een transitieperiode. In die neoliberale leegte zijn twee soorten alternatieven mogelijk.

Een rechts-nationalistisch alternatief

Het ene alternatief zien we nu overal opduiken, dat van een groeiende rechts-nationalistische beweging. Vooralsnog worden binnenlandse vijanden gezocht, meestal moslims. Maar de vijand kunnen ook andere landen worden, zoals de gevaarlijke retoriek van de Turkse president Erdogan laat zien.

In economische termen leidt dit tot een vreemde tegenstelling: een groeiende groep regeringen kiest voor protectionistische maatregelen en voor het nationale belang, maar binnen het dominante neoliberale vrije markt model. Zij beschermen de belangen van nationale bedrijven of in hun land gevestigde multinationals, ze gaan voor korte termijn winst op een mondiaal economisch strijdterrein. Dit creëert meer instabiliteit op langere termijn en geeft multinationals en internationale financiële ondernemingen de mogelijkheid nog meer te profiteren van deze concurrentie tussen landen via belastingkortingen en andere voordelen.

Het betekent ook dat het risico groeit van diplomatieke of zelfs gewapende confrontaties. Veiligheidsbedreigingen en immigratie worden vooral tegengegaan door de grenzen te sluiten en zo de problemen verder weg te duwen, en door de digitale surveillance van de maatschappij op te voeren.

Al deze zaken werden nauwelijks bediscussieerd tijdens de Nederlandse verkiezingscampagne en in de media, zelfs niet in minder abstracte en toegankelijke termen. Er waren nauwelijks debatten over werkgelegenheid, klimaatverandering, verdelingsvraagstukken, belastingontwijking door multinational, de nauwe banden tussen bedrijvenlobbys en de nationale en Europese instituties. Laat staan een meer fundamenteel debat over het Nederlandse verdienmodel dat is gebaseerd op export naar de periferieën van Europa en daarbuiten. De instabiele basis van het Europese financiële systeem dat opnieuw de voorwaarden voor nieuwe bubbles en crises aan het creëren is, werd alleen door de Partij voor de Dieren geadresseerd.

Ook was er nauwelijks enige discussie over langere termijn oplossingen voor de veiligheidsdreigingen en immigratie, door het aanpakken van de grondoorzaken van migratie en gewapende conflicten in de onstabiele gordel rond Europa.

Een internationalistisch links alternatief

Het voorbeeld van Spanje biedt aanknopingspunten voor een andere uitweg uit het politieke vacuüm. De opkomst van de jonge Spaanse politieke partij Podemos en de grote lokale en sociale bewegingen bieden een alternatief voor de pogingen van de middenpartijen om de neoliberale status quo te verdedigen door te dwepen met nationalistische retoriek, vergezeld van een ‘grenzen dicht’ benadering van veiligheid en immigratie.

Podemos wordt vaak genoemd in het rijtje van ‘linkspopulistische’ partijen, samen met bijvoorbeeld Bernie Sanders en het Griekse Syriza en sinds kort ook La France Insoumise van Jean-Luc Mélenchon. Ook hier verhult de term ‘populisme’ waar het eigenlijk om gaat: een radicaal linkse kritiek op het huidige neoliberale Europese project en het Fort Europa beleid. Daarin zijn sommige linkspopulistische theorieën en de ervaringen daarmee in Latijns Amerika, waar de Podemos-intellectuelen zich inderdaad door laten inspireren, slechts een element.

Eerst de overeenkomst met het rechts-nationalistische populisme: ook Podemos zet bewust de tegenstellingen aan. Een veel gebruikte term is La Casta (de kaste), de elite. ‘We zijn niet links en niet rechts. We zijn die van onderop en we gaan tegen hen aan de top.’ Deze leus dook op tijdens de massale pleinbezettingen door de Indignados, de Verontwaardigden, in Spanje vanaf 15 mei 2011. Die dag – in Spanje bekend als 15M – was de start van een ongekende politieke en maatschappelijke dynamiek. De leus was misschien wel het meest bepalende motto in het Spaanse politieke landschap van de afgelopen decennia. De energie die loskwam door 15M leidde drie jaar later tot de oprichting van Podemos. Leider Pablo Iglesias verklaarde, in een kritiek op de in zijn ogen heilloze weg van bestaande linkse partijen: ‘Ik ben en blijf links, maar ik wil daar ver voorbij gaan. Wij moeten ons eigen speelveld creëren.’

Op een ander spandoek van de Indignados stond Stem niet op de PPSOE, waarbij de afkortingen van de Partido Popular (PP) en de sociaaldemocratische PSOE werden samengevoegd. Die leus symboliseert het massale wantrouwen in de rechtse PP. Maar ook in de oude linkse partijen in Spanje, in het bijzonder de PSOE. De PP en de PSOE partijen hebben Spanje sinds de Franco-dictatuur om en om geregeerd, waarbij het verschil in beleid steeds verder vervaagde. De twee partijen vormen in het verhaal van Podemos de kaste van politici die samen het neoliberale economische project hebben vormgegeven in de afgelopen decennia. In een corrupt pact met grote bouwbedrijven, projectontwikkelaars en financiële instellingen uit Spanje en de rest van Europa. Die laatsten verstrekten zowel hypotheken aan gezinnen als leningen voor de bouw van veel te veel huizen, protserige prestigeprojecten en nutteloze infrastructuur. Toen de vastgoedzeepbel door de financiële crisis in 2008 barstte, werden de banken (zowel Spaanse als Noordwest-Europese) uitgekocht met Europese leningen. In ruil daarvoor legde de trojka van ECB, Europese Commissie en IMF een strak bezuinigingsbeleid op aan  Spanje. De crisis veroorzaakte massale werkloosheid, honderdduizenden gezinnen werden uit hun huizen gezet, 700 duizend jongeren zagen zich gedwongen elders in Europa werk zoeken. Er werd zwaar gekort op sociale voorzieningen. De arbeidsmarkt werd nog verder ‘geflexibiliseerd’; korte termijn contracten zijn nu de norm. En Spanje zat met een failliet economisch model, want het had de industrie in het kader van een Europese arbeidsdeling vervangen door snelle winsten via vastgoedspeculatie. Nu resten alleen nog de laagwaardige banen van het toerisme.

Natuurlijk is het discours van Podemos, zoals alle politieke stellingnames, ook een vorm van framing. Er wordt een duidelijke streep getrokken tussen ‘de meerderheid’ en ‘de elite’. Podemos gebruikt de uitwisselbaarheid van PP en PSOE en zet ze neer als een blok dat hardnekkig vasthoudt aan hun gevestigde belangen. Podemos zelf noemt haar aanpak geen populisme, maar de ‘terugkeer van de politiek’. Er is weer wat te kiezen. Dat is ook waar de naam van Podemos op duidt: We Kunnen het, een alternatief is mogelijk. Podemos stelt de dominante ideologie voortdurend ter discussie, door stelselmatig aan te tonen dat de opbrengsten van dat model slechts een kleine groep bevoorrechten ten goede komt. Maar naast een dergelijk sociaaleconomisch discours legt Podemos ook veel nadruk op verdieping van de democratie, emancipatie van vrouwen en minderheden, internationale solidariteit en een duurzame energietransitie. Op het politieke vlak benadrukt Podemos de noodzaak van echt pluralisme, waarmee zij doelt op de ideologische strijd tussen verschillende wereldbeelden en visies op de maatschappij. Wetenschappers en critici van populisme stellen vaak dat populisme en ‘liberale democratie’ tegengesteld zijn, suggererend dat populisten geen echte democraten zijn – de rechten van minderheden zeker stellen, scheiding van de machten, rechtstaat, pluralistische media. In deze definitie is Podemos zeker niet populistisch. Maar het bekritiseert wel wat dan misschien ‘neoliberale democratie’ genoemd kan worden: de huidige staat van de democratische instituties in Spanje die machtige groepen bevoordelen die grote delen van de bevolking buiten sluiten, de rechtstaat gebruiken voor hun eigen privileges en belangen, en massamedia direct of indirect via nauwe banden met mediabedrijven manipuleren.

Naast Podemos zijn in heel Spanje na 15M lokale platforms van burgers, actiegroepen en partijen ontstaan. In grote steden als Barcelona, Madrid, A Coruña,  Zaragoza en Cádiz vormen die nu het gemeentebestuur. De nieuwe stedelijke coalities zijn ambitieus met experimenten in lokale participatie. Duizenden stadsbewoners praten in buurtassemblees en online mee bij het opstellen van de gemeentelijke prioriteiten en de begrotingen. De ‘gemeentes voor de verandering’ proberen ook de privatisering van de publieke voorzieningen weer terug te draaien. In de steden en in de partijen en ‘platforms’ is transparantie de norm. Alle lonen, vergoedingen en financiële transacties staan online. Zo willen zij het verschil te laten zien met de corrupte bestuurspraktijk van de grote partijen, tegen wie honderden rechtszaken lopen.

Op cultureel vlak proberen deze gemeentelijke platforms en ook Podemos een meer ‘common’, gezamenlijke en solidaire maatschappij op te bouwen, waarbij ze mensen uit andere landen betrekken, gemeenschappen versterken en andere vormen van sociale en politieke participatie invoeren.

Podemos probeert de veelzijdige bewegingen in Spanje van een overkoepelend politiek project te voorzien, waarmee ze de strijd aangaan met de gevestigde partijen, die in een paar jaar tijd gehalveerd zijn. Podemos had twee jaar na oprichting al 22% van de stemmen achter zich.

Hoewel altijd opererend via democratische weg, wil Podemos geen compromissen sluiten binnen de beperkte marges van het neoliberale project. Podemos wil een ‘ruptura’, een breuk. Zij stelt een ‘grondwetgevend proces’ voor waarin nieuwe lijnen worden getrokken.

Het succes van Podemos is deels het gevolg van de miserabele sociaaleconomische omstandigheden in Spanje na de financiële crisis in 2008. Dat verklaart dat de radicale kritiek van Podemos op het neoliberale model aanslaat. Maar er zijn meer componenten van Podemos’ benadering die het succes verklaren: hun kritiek op de gebrekkige democratie in Spanje en Europa en op de grootschalige corruptie in Spanje. Het zijn niet in eerste instantie de ‘globaliseringsverliezers’ die op Podemos stemmen, de mensen die het hardst getroffen zijn door de economische crisis. De achterban van Podemos bestaat uit relatief veel hoogopgeleide jongeren in de grote steden. Die zijn weliswaar ook getroffen door de economische crisis, maar hun onbehagen is (ook) te duiden als een gebrek aan perspectief en toekomst. Podemos slaagt erin die veelvormige onvrede te ‘articuleren’ en een politieke betekenis te geven. Zij zien in dat de grieven van de mensen veelzijdig en ongedefinieerd zijn, en weten die te koppelen aan een systeem en instituties die niet meer functioneren. Zij baseren zich daarbij onder meer op linkspopulistische theoretici als Ernesto Laclau, die concepten als ‘articuleren’, de ‘constructie’ van collectieve identiteiten, en ‘signicifactie’ (het geven van politieke betekenis aan symbolen) centraal zetten. Ook daarin zit een overeenkomst met het kanaliseren van de onvrede richting zondebokken door de rechtsnationalistische populisten. Het gebruik van een vergelijkbare methode zegt echter niets over de morele of politieke vergelijkbaarheid van de verder diametraal tegen over elkaar staande politieke projecten van Wilders en Podemos. Dat is wat het gebruik van de term populisme verhult.

Of Podemos er in slaagt een meerderheid te halen, is ongewis. Maar haar streven op een negatieve manier af te doen als ‘populisme’, lijkt op een retorische truc van de traditionele partijen en economische belangen die zich hardnekkig vastklampen aan een model dat zij kennen, dat hen invloed en positie geeft, waarvan zij de bestuurlijke kern vormen. De academische populismediscussies trappen in dezelfde val, doordat zij eenzijdig focussen op de tegenstelling tussen ‘elite’ en een homogeen ‘volk’. Podemos-intellectuelen spreken soms van ‘het construeren van een volk’ maar zijn ook voorstander van pluralisme en diversiteit. Het gaat er vooral om de maatschappij te hervormen rond andere meer rechtvaardige waarden. Maar zelfs als zulke visies (over ‘het homogene volk’) meer centraal zouden komen te staan binnen de meervoudige Podemos-strategie, dan is er genoeg tegenwicht in Spanje. De basisbewegingen en lokale coalities die de steden besturen zijn sterk. Er is een grote hang naar emancipatie van minderheden en naar horizontale democratie. In bijvoorbeeld Barcelona resulteert dat in een pragmatische en realistische (maar toch radicale) manier van besturen. Daar komt bij dat 15M, met zijn horizontale nadruk en vooral gericht op directe democratie, zeer bepalend is geweest voor de politieke atmosfeer in Spanje die Podemos zoveel wind in de zeilen heeft gegeven. Dat negeren, realiseert ook de Podemos-leiding zich, is zeer riskant.

In Spanje is Podemos een heel serieuze factor, en je ziet dat daar rechts-nationalistische xenofobie nauwelijks aanslaat. In feite probeert Podemos een moderne ‘volkspartij’ op te bouwen, die lagere en een groot van de middenklassen vertegenwoordigt, net zoals de sociaaldemocratische en christendemocratische partijen dat deden in een ver verleden.

Hoewel de context in Spanje en Nederland heel verschillend is, kunnen de Spaanse ervaringen een aantal aanknopingspunten geven voor een alternatief voor zowel de national-populistische tendensen als voor de middenpartijen die vasthouden aan een steeds minder succesvol neoliberale model. Om te leren van deze ervaringen moeten we voorbij het huidige populismedebat, dat alleen resulteert in het verdedigen van de neoliberale status quo. Het heeft meer nut om te kijken naar de inhoud van de voorstellen van de verschillende politieke spelers. Sommige populistische theorieën kunnen van nut zijn voor het articuleren van belangen, maar ook voor de oppositie tegen een neoliberale democratie die steeds minder mensen vertegenwoordigt. Het creëren van een nieuw ‘speelveld’ waarin echt gekozen kan worden tussen verschillende wereldbeelden en politieke projecten, zou kunnen leiden tot de noodzakelijke systeemverandering. Dit wil niet zeggen dat allerlei tegenstrijdige belangen en conflicten tussen maatschappelijke groepen worden weggemoffeld – wat het gebruik van de term ‘homogeen’ door populismewetenschappers suggereert – maar het betekent dat die belangen op een andere manier met elkaar worden verbonden. In andere woorden: consensuspolitiek, een cruciaal element van de liberale democratie, is zeker te verenigen met linkspopulisme. Maar zij zal langs andere lijnen verlopen. Niet met een bias naar de belangen van machtige groepen in het neoliberale model, maar als representatie van de vele en soms uiteenlopende belangen van de meerderheid in de maatschappij. Zo’n linkspopulisme kan heel goed internationalistisch zijn, zoals uit het voorbeeld van Podemos blijkt. Het gaat wel in tegen de huidige institutionele vormgeving van de Europese Unie. Een nieuw discours gebaseerd op menselijkheid, gezamenlijkheid, sociale solidariteit en een mensbeeld waarin mensen gezien worden als sociale wezens in plaats van als egoïstische strevers naar zoveel mogelijk eigenbelang, kan grote groepen in de Europese maatschappij met elkaar verbinden. Misschien is dit wel de enige weg om de huidige nationalistische opmars in Europa te stuiten.

Dit artikel is in 2017 in het Engels gepubliceerd in de Clingendael Spectator

Door | 2018-04-05T10:04:48+00:00 juni 7th, 2017|Categorieën: Publicaties|0 Reacties

Geef een reactie