Illegale actie soms gerechtvaardigd

Er is een moreel recht om grote misstanden en grove schendingen van de vrijheid en de democratie te helpen recht te zetten onder strakke criteria, ook als je daarmee de wet breekt. De discussie zou moeten gaan over de vraag waar je exact die grens moet trekken.

door Frans Bieckmann

De mediahype van de afgelopen weken en ook de reacties daarop van zowel toenmalige actievoerders als tal van anderen, tonen aan dat de jaren ’80 inderdaad ‘onverwerkt’ zijn, zoals Wijnand Duyvendak stelde toen hij aftrad als Kamerlid. De clichés, karikaturen en misverstanden tuimelen over elkaar heen. Een goede reconstructie van die jaren moet nog steeds gemaakt worden. Die is niet alleen nuttig voor historici en maatschappijwetenschappers, maar kan ook nu grote waarde hebben.

Want in mijn optiek was de beweging van de jaren ’80 niet alleen een (te romantisch en daardoor tot mislukken gedoemd, maar daarom niet minder waardevol) experiment in verdieping van de democratie, maar ook een poging een radicaal progressief alternatief te ontwikkelen voor het neoliberale discours dat vanaf begin jaren ’80 – onder Reagan, Thatcher, Kohl en Lubbers – de wereld veroverde en nog steeds hoogtij viert.


Illegale actie

Vanaf midden jaren ’80 dreef de actiebeweging steeds verder in een heilloze polarisatie, verharding en isolement en was ten dode opgeschreven. Een van de belangrijkste lessen die daaruit kan worden getrokken, is dat geweld averechts werkt. Maar niet alleen dat: geweld tegen individuen en personen is per definitie verkeerd. Ook al was ik daar toen ook al tegen, met terugwerkende kracht denk ik dat een beweging openlijk en duidelijk een grens moet trekken bij het afdwingen van verandering door geweld, dreiging en intimidatie.

Dat betekent niet dat illegale acties per definitie verkeerd zijn. Onder strikte criteria en met het doel te openbaren, de discussie op te rekken, te overtuigen en maatschappelijk debat te genereren. De mate van illegaliteit die moreel gerechtvaardigd is, hangt samen met de volledigheid van de democratie. Hoe ondemocratischer, hoe verdergaande acties gerechtvaardigd zijn, inclusief inbraken – bij instituties wel te verstaan, niet bij individuen.

De Nederlandse democratie is het verdedigen waard, zeker als je het vergelijkt met die in andere landen. Tegelijkertijd is zij bij lange na niet perfect als de zelfgenoegzame reacties in het huidige debat suggereren: het einde van de geschiedenis is nog lang niet aangebroken. Wie even buiten de benauwde Hollandse dijken kijkt, en zich realiseert dat we niet op een eiland leven maar in een steeds dichterbij komende wereld, ziet dat er van een mondiale democratie absoluut geen sprake is. De huidige reactie – we graven ons in met onze democratische verworvenheden – betekent je kop in het zand steken. Beter is het jezelf te zien als onderdeel van een zich heel langzaam en hopelijk in de goede richting ontwikkelende mondiale democratie.

Ik was een van de actievoerders waar Duyvendak op doelt. Ook op mij heeft die tijd een doorslaggevende invloed gehad, zowel het grauwe gevoel geen toekomst meer te hebben, als de radicalisering die in de hand gewerkt werd door het politiegeweld tegen krakers en actievoerders. Ook ik, net als vele anderen, verrichtte af en toe hand- en spandiensten bij Bluf!

Begin jaren ’80 trad ik toe tot de basisgroep van Hidde Kabalt. Ik doorliep hetzelfde traject als flink wat anderen: een aantal jaren studie – in mijn geval politicologie – en daarna het besluit om niet meer te theoretiseren maar te doen: ik dook fulltime in de beweging en bleef daar gedurende een groot deel van de jaren ’80.

Ik woonde in een groot kraakpand aan de Stadhouderskade in Amsterdam, onderdeel van de ‘scene’ waar ook Duyvendak bij hoorde. Een van de meerdere scenes in Amsterdam, want een van de grote misverstanden is dat de beweging één groot geheel was, waarin iedereen het met elkaar eens was. Niets is minder waar.

Gerry Adams

De moedwillige pogingen om Duyvendak verantwoordelijk te maken voor alles wat er goed of fout ging in die jaren – de steeds maar weer herhaalde ‘geruchten’, in het leven geholpen door vooral De Telegraaf, HP/De Tijd, Elsevier en grif nagepraat op internet en helaas ook door meer serieuze media als ‘kwaliteitskrant’ de Volkskrant, dat hij achter de militante actiegroep RaRa zou zitten, maar ook de in de Volkskrantgeopperde band tussen Duyvendak en de gewelddadige en autoritaire leiders van de kraakgroep Staatsliedenbuurt – duiden op een zeer oppervlakkig begrip van de beweging toen.

Zulke voorstellingen leiden tot uitermate dubieuze vergelijkingen als die van Hans Wansink, die Duyvendak als de ‘Gerry Adams van de milieubeweging’ afschilderde. Maar ook tot het beangstigende – want onvoorspelbare – lynchgedrag van de post-Pim Fortuyn-en-zijn-hedendaagse-klonen-generatie die dagelijks zijn gal spuit op internet.

Deze voorstelling van zaken is gevaarlijk omdat zij politiek activisme en linkse politiek vereenzelvigt met politiek terrorisme. Het leidt tot vrees om je kop boven het maaiveld uit te steken, want jij kan de volgende zijn – voor de complotdenkers zal ik hierbij maar vast onthullen dat ik vorig jaar nog regelmatig langs de lijn van het voetbalveld stond met Wijnand, kijkend naar de wedstrijden van onze dochters.

Het voert hier te ver om precies te schetsen hoe de lijnen precies liepen. Het gaat ook helemaal niet om het (jezelf of anderen) persoonlijk aan de schandpaal nagelen, zoals nu met Duyvendak gebeurd is en waartoe zijn partijleider nu ook lijkt op te roepen. In het huidige tijdsgewricht is enig nuchter en afstandelijk nuanceren zeer welkom, als tegenwicht voor de heksenjacht en het steeds meer persoonsgerichte politieke bedrijf.

Tunnelvisie

De harde verwijten die (voormalige) activisten en meer parlementair gerichte (GroenLinks) politiek actievelingen elkaar nu maken, zijn weinig productief; ze zijn een bewijs van het chaotische karakter dat dergelijke bewegingen altijd hebben, dat zowel hun kracht (hun ongrijpbaarheid) als hun zwakte (ze gaan vrijwel altijd ten onder aan infighting) is.

De tunnelvisie waar Duyvendak over spreekt – als gevolg van de steeds grotere frustratie, polarisatie, repressie en verharding die in een soort vicieuze cirkel een actiebeweging radicaliseren, steeds verder versmallen en uiteindelijk in zichzelf doen oplossen – is van dat laatste een belangrijk aspect.

Het opnieuw overdenken van wat er in die jaren gebeurde zou juist positieve en nog steeds zeer bruikbare inzichten opleveren in een tijd die in sommige aspecten – in andere weer totaal niet – erg lijkt op die van begin jaren ’80: een negatieve, verstikkende, angstige sfeer hangt net als toen over Nederland, doemdenken overheerst, individuele vrijheid wordt steeds meer verward met egoïsme en zelfverrijking, de onzekerheid die de snelle veranderingen met zich meebrengen uit zich opnieuw voor veel mensen in het zoeken van zondebokken bij alles wat anders is en van buiten komt.

Een deel van de beweging – de antifascisten – richtte zich toen tegen opkomend extreem-rechts. Soms op een voor mij toen al onaanvaardbare manier (de aanval in Kedichem op een vergadering van de Centrumpartij, die resulteerde in brand en gewonden), maar het is niettemin nog steeds belangrijk erg waakzaam te zijn.

Want de huidige tendensen in dat opzicht gaan veel verder, zijn veel dieper doorgedrongen in maatschappelijke instituties en media en zijn veel breder aanvaard dan toen. Ook zou je een parallel kunnen trekken tussen die hoogtijdagen van de Koude Oorlog en de steeds verdergaande inperking van burgerlijke vrijheden in het kader van de War on Terror nu, die niet onterecht wordt uitgelegd als een uitholling van de rechtsstaat en de democratie.

Fennema

De beweging die begin jaren ’80 op zijn sterkst was, bouwde voort op wat er in de jaren ’70 was ontstaan, maar was ook wezenlijk anders. Dat laatste is een element dat in de analyses stelselmatig over het hoofd gezien wordt. Zoals ook in een van de weinige inhoudelijke – in plaats van op de persoon gerichte – bijdragen aan het debat tot nu toe, het opiniestuk van Meindert Fennema in de Volkskrant.

Fennema stelt dat voor Duyvendak de democratie slechts een middel was en is, en geen doel. In zijn pseudo-recensie van Duyvendak’s boek doet Fennema het op suggestieve toon nog eens over, en verabsoluteert de discussie tot: je bent voor of je bent tegen de rechtsstaat. Grijstinten en nuances bestaan niet. Zoals hij ook de grote diversiteit en daardoor ongrijpbaarheid van de beweging – haar kracht en haar zwakte – weet te verdichten tot een eendimensionale karikatuur.

Fennema’s analyse is er typisch een van zijn generatie, die in de jaren ’70 radicaal en dogmatisch links was (meestal CPN-lid of volger van een andere top-down ideologie) en in de loop van de jaren tachtig daar weer net zo absoluut afstand van nam, waarbij de oude dogma’s werden omgeruild voor een kritiekloos omarmen van de parlementaire democratie, als enige alternatief voor het totalitaire communisme.

Het is de generatie die het nu voor het zeggen heeft, en met wiens maten nu gemeten wordt. In hun logica kan radicaal activisme alleen maar uitmonden in dodelijk geweld: er is een glijdende schaal van geweldloos verzet, demonstreren, kraken, bezetten, via inbraken, naar brandstichtingen en bomaanslagen en uiteindelijke politieke moorden. Daarbij behoort een beeld van kille en beredeneerde types voor wie het doel de middelen heiligt.

Geweld

Zo was het immers in hun jaren ’70, met de Duitse RAF (waar ook een flink deel van de communistische jongeren in Nederland mee sympathiseerde). RaRa kan ideologisch gezien als een opvolger worden gezien van de RAF, gezien de bombastische ideologische retoriek in hun toenmalige manifesten. Al was het grote verschil tussen Nederland en Duitsland (en veel andere landen) dat er geen geweld tegen personen werd gebruikt. De dominante mening was: alleen geweld tegen gebouwen en symbolen, niet tegen mensen.

Er liepen zeker figuren rond in vooral de kraakbeweging die verder wilden gaan, maar hun initiatieven werden vrijwel unaniem afgekeurd. En hoezeer ze toen en nu nog meer ook in het oog sprongen, ze waren slechts een klein deel van de enorme hoeveelheid acties die in die jaren werden gevoerd. Er was in de beweging geen formele mogelijkheid om ze tegen te houden, omdat er geen sprake was van een centraal geleide organisatie met een strakke planning – het was een los amalgaam van sterk uiteenlopende groepen en netwerkjes, waarvan sommige steeds anoniemer gingen opereren.

Fennema (en anderen) stelt dat Duyvendak en de toenmalige actievoerders democratie slechts als een middel zagen en zien, in plaats van als een doel. Deze bewering zou ondersteund kunnen worden door de toenmalige leus ‘Jullie rechtsstaat is de onze niet’, die door sommige actievoerders inderdaad werd opgevat als ‘alles mag’ en ‘fuck de staat’.

Maar veel anderen dachten verder en vonden – al werd dat in die tijd misschien niet zo geformuleerd – juist dat de democratie (in Nederland, in Europa, in de wereld) verdiept moest worden. Omdat zij onvolledig, onrechtvaardig en niet consequent was: de verdeling van mogelijkheden, vrijheid en rijkdom was ongelijk, de rechtsstaat stond aan de kant van de machtigen en de rijken. Dat had ook de jaren ’70 generatie en velen voor hen al geroepen, maar het verschil was dat de beweging dit radicale democratische ideaal ‘hier en nu’ in de praktijk wilde brengen.

Geprobeerd werd structuren in te richten waarin directe democratie heerste: in kraakpanden, in buurten, in werkcollectieven, in de actiebeweging zelf. Er waren – formeel – geen leiders, ieder had zijn eigen verantwoordelijkheid. Er was de vooral vanuit de antikernenergiebeweging gepropageerde basisdemocratie. Je had allerlei kleinschalige initiatieven (winkeltjes, cafés, coöperaties) waarin economische activiteiten op een alternatieve manier werden opgezet.

Acties waren vaak gericht tegen politieke actoren die een buitengewone en ondemocratische macht werd toegedicht, zoals multinationals, of geheime diensten, de NAVO en het leger. Er valt heel veel te zeggen over hoe dit alles in de praktijk werd gebracht en dat het experiment heeft gefaald, moge duidelijk zijn. Maar om nou te zeggen dat de democratie slechts een middel was, nee. Het was heel duidelijk een centraal doel.

Antiautoritair

In tegenstelling tot wat veel mensen denken en dachten – ik herinner me nog goed hoe ik tijdens een demonstratie kreeg toegesist ‘ga toch in Moskou demonstreren’ – was de beweging niet alleen tegen het westerse kapitalisme, maar evenzeer tegen het autoritaire (en ondemocratische) communisme in (bijvoorbeeld) de Sovjet-Unie. Zij had geleerd van de fouten die de dogmatische volgers van Mao of Lenin in de jaren ’70 hadden gemaakt, zagen het gevaar van het collectivisme dat door hen gepredikt werd, en zetten daarvoor in de plaats een misschien wat naïef idee van basisdemocratie: geen leiders, gezamenlijk bepalen wat we doen.

 

De regelmatige pogingen van de CPN en andere voorhoedepartijen om de (kraak)beweging te infiltreren werkten meestal niet: de ideologische praat op bijvoorbeeld stedelijke kraakvergaderingen werd snel herkend. De meest duidelijke representanten van een dergelijk voorhoededenken binnen de beweging zelf waren RaRa en de autoritaire en gewelddadige lijn van de kraakgroep Staatsliedenbuurt hadden in alle andere kraakgroepen wel een paar sympathisanten, maar konden daarin nooit domineren.

Het antiautoritaire karakter van de kraakbeweging uitte zich bijvoorbeeld in de kritiek op de totalitaire houding van sommige Sandinisten in Nicaragua, wat hen op een veroordeling kwam te staan van de meer dogmatische solidariteitscomités waarin de wat oudere jaren zeventig garde het nog voor het zeggen had.

In plaats van te focussen, zoals de afgelopen weken gebeurde, op het kleine groepje door de jaren ’70 geïnspireerde (dogmatisch marxistische) RaRa-mensen, is het veel zinvoller om te kijken naar de vele andere stromingen in de beweging van de jaren ’80 en te kijken of daar voor nu nuttige lessen uit te trekken zijn. Er was ook een actiecultuur die zich niet zozeer verhardde en verengde tot meer geweld, maar die zich richtte op het ontregelen, het openbaar maken, het dwars zitten van de powers that be.

Ook met behulp van ‘illegale’ acties. Zoals de Spektakelblokkade tegen Shell in 1989, vanwege diens aanwezigheid in het Zuid-Afrika van de apartheid. Dergelijke acties, maar ook sommige inbraken van die tijd, waren gestoeld op het idee van de imagoschade: je vestigt de aandacht op wat (in dit geval) een bedrijf doet, je maakt bepaalde zaken openbaar die het bedrijf (of de regering) in kwestie verborgen wil houden. Daarmee voed je de maatschappelijke discussie, verbreed je die ook buiten het parlement, en alleen als de informatie overtuigend genoeg is, slaat hij aan en wordt daarmee ook de druk op in dit geval Shell groter.

Eenheid in verscheidenheid

Al deze actievormen en invalshoeken bestonden naast en deels door elkaar heen. Het toen belangrijke begrip ‘autonomie’ diende om dit brede palet ‘eenheid in verscheidenheid’ te geven. Die ‘eenheid’ naar buiten toe was de enige reden om bijvoorbeeld manifesten van RaRa in Bluf! te publiceren; niet omdat de grote en regelmatig wisselende redactie – er was geen sprake van een hoofdredacteur zoals Duyvendak hier en daar genoemd wordt – er achter stond, maar omdat Bluf! een platform was voor alles wat zich beweging noemde; ietwat naïef misschien, maar goed.

Autonomie was op zijn best een nieuwe manier om het steeds verder opkomende individualisme – gestuwd door de economische liberalisering en de egocentrische zelfontplooiing van de voorgaande generaties – een progressieve inhoud te geven. Het wees op de individuele verantwoordelijkheid in politieke zin – ‘stem niet, denk zelf’ – en de morele plicht maar ook het recht om op je eigen manier te strijden tegen onrecht en onvrijheid.

Die strijd had voor veel van de actievoerders echter niet de absoluutheid en oogkleppen van de vorige generatie. Er was wel degelijk zelfrelativering. Een belangrijk stijlelement uit de jaren ’80 was de ironie. Ook in Bluf! en andere publicaties uit de beweging werd de ironie gehanteerd, de omkering, de groteske uitvergroting. Het was een instrument tot ontregeling, een levenshouding bijna, het voortdurend relativeren van je eigen functioneren maar ook van maatschappelijke en politieke vanzelfsprekendheden.

Die ironie is zijn doel voorbijgeschoten, terwijl ze door columnisten maar ook door radicale freedom of speech activisten nog steeds gehanteerd wordt. De ontregeling is absoluut geworden, zonder enige morele richting. Het ‘ik zeg wat ik wil’ heeft zich gericht tegen degenen die er een veel rijpere invulling aan gaven. Het linkse experiment is gekaapt door populistisch rechts, uitgekleed en verworden tot een platte vulgariteit.

Op de man spelen

De nuance wordt in het Nederland van nu niet meer begrepen. Eendimensionale beelden worden overgeplaatst naar het heden, de diepgang en de gelaagdheid zijn totaal weg, zelfs bij intellectuelen als Fennema. Van een hoogleraar politieke theorie mag je verwachten dat hij niet alleen afgaat op de spectaculaire beelden die worden vertoond en de uitwassen die worden aangescherpt, maar daar doorheen weet te prikken en de onderliggende werkelijkheid beschrijft, in plaats van – geheel in de geest van deze tijd – op de persoon te spelen.

In de huidige discussies wordt een simpele zwart-wit tegenstelling gehanteerd tussen ‘illegale acties’ en DE democratie. Maar ook nu nog geldt dat acties die ingaan tegen de formele wetgeving moreel of zelfs in het belang van de democratie gerechtvaardigd kunnen zijn.

Stel dat er nu een inbraak zou worden gepleegd die de besluitvoering rond de Nederlandse deelname aan de oorlog in Irak zou blootleggen. Wat is een grotere inbreuk op de democratie? Die inbraak of de weigering van de – inderdaad democratisch gekozen – Nederlandse regering om daarover openheid van zaken te geven? Het lijkt mij het laatste, gezien de grote gevolgen die deze rampzalige oorlog heeft gehad.

Wat doet een krant als zij – via ‘illegale’ lekken bijvoorbeeld – informatie krijgt toegespeeld over het beïnvloeden van de onderhandelingen door bepaalde multinationals in het democratische niemandsland van de Wereldhandelsorganisatie of in de net zo min democratische G8, om maar wat eigentijdse parallellen te noemen met het terrein waar nog steeds een wereldwijde beweging – die voor een andere globalisering – opereert, die in veel opzichten lijkt op die van de jaren ’80. Zeker als je met een mondiale blik kijkt naar zaken als democratie – van een mondiale rechtsstaat is geen sprake -, lijkt het me dat ‘illegale’ acties nog steeds gerechtvaardigd zijn.

Wakker schudden

De geschiedenis is nog lang niet beëindigd, de wereld helaas nog niet volmaakt, en zal dat ook nooit worden. Verandering is een voortdurend proces, waarin vaste waarheden worden losgewrikt, vanzelfsprekendheden onderuit gehaald en machtsverhoudingen veranderen.

Dat gaat niet zonder frictie en niet zonder hier en daar de randen op te zoeken. Zonder de illegale acties van de jaren ’80 (en van alle eeuwen) zouden de bureaucraten, de technocraten, de partijtijgers en de carrièrejongens en –meisjes in de politiek nooit zijn wakker geschud uit hun zelfgenoegzame gevoel dat we het in Nederland zo goed geregeld hebben.

De rechtsstaat in Nederland is aan de andere kant niet iets om zomaar bij het vuilnis te zetten. De democratie is dermate verfijnd dat je heel strakke criteria moet hanteren voor de situaties waarin zulke acties gerechtvaardigd zijn. Zij moeten in ieder geval niet met geweld, dreiging of intimidatie proberen wat dan ook af te dwingen. Zij moeten zeer zeker niet gericht zijn op personen, ze moeten niet omlaag trappen naar zwakkeren of zwarte schapen zoals Wijnand Duyvendak nu lijkt te zijn geworden, ironisch genoeg terwijl hij juist elke illegale actie lijkt af te keuren.

Er is een moreel recht om grote misstanden en grove schendingen van vrijheid en democratie aan te kaarten onder strakke criteria, ook als je daarmee de wet breekt. De discussie zou moeten gaan over de vraag waar je exact die grens moet trekken.

De illustraties zijn afkomstig uit het boek Met emmer en kwast van Eric Duivenvoorden.

Een korte versie van dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad. Deze langere versie stond in Ravagedigitaal 26 augustus 2008.

Door | 2017-07-20T22:41:24+00:00 augustus 26th, 2008|Categorieën: Archief, Geen categorie|0 Reacties

Geef een reactie